Spring naar inhoud

AWBZ transitie

Aanleiding.

Met de transitie AWBZ worden er een aantal taken uit de AWBZ geschrapt. De individuele begeleiding, de dagbesteding, het kortdurend verblijf en het vervoer daarna toe worden vanuit de AWBZ gedecentraliseerd naar de Wmo. Ook de inloopfunctie van de Geestelijke Gezondheidszorg gaat van de AWBZ naar de Wmo.

Op grond van de Wmo zijn gemeenten ervoor verantwoordelijk dat burgers zoveel mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Daar komt nu een nieuwe groep mensen bij. Te vaak wordt uitgegaan van beperkingen van mensen en niet van hun mogelijkheden. Meer dan voorheen wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en de inzet van het sociaal netwerk. Tegelijk is het belangrijk dat mensen, als dit noodzakelijk is, ondersteund worden om zolang mogelijk zelfstandig te participeren. Daarvoor is maatwerk, liefst op lokaalniveau, noodzakelijk. Gemeenten zijn in staat dit te organiseren door beleidsterreinen met elkaar te verbinden.

De met de begeleiding te bereiken resultaten worden onder de compensatieplicht (artikel 4) van de Wmo gebracht. Na overheveling van de taken vanuit de AWBZ zal het toetsingskader van de Wmo uitgebreid zijn met een extra domein: "de dagelijkse levensverrichtingen kunnen uitvoeren, het eigen leven structureren en regie voeren over het eigen leven". Beide onderdelen (regie en structuur) zijn essentieel om te kunnen participeren aan de samenleving. Deze nieuwe taak sluit daarmee goed aan op de doelstellingen van het Wmo-beleid van gemeenten. Bestaande rechten vanuit de AWBZ op een voorziening gaan niet over naar de gemeenten. De gemeenten bepalen zelf hoe deze nieuwe taak in de Wmo wordt vormgegeven. In deze visie omschrijven wij hoe we als gemeenten in de ideale situatie ondersteuning in de Wmo willen organiseren.

 

 

Informatie over het eerste transitie proces AWBZ (2013).

 

Gedeelde verantwoordelijkheid.

Ook bij het vinden van de toegang tot hulp en/of hulpmiddelen gaat de overheid zo veel mogelijk uit van de talenten en mogelijkheden van de burger. Dit houdt in dat in de ideale situatie iedere burger zo veel mogelijk zelfstandig een oplossing voor zijn probleem vindt in zijn directe omgeving. Dit maken de overheden mogelijk door bijvoorbeeld via internet informatie over mogelijke oplossingen in de directe omgeving beschikbaar te stellen. Wanneer een burger daar hulp bij nodig heeft van een professional, dan kunnen zij in de ideale situatie op meerdere plekken hun vraag stellen.

Mensen kunnen hun ondersteuningsvraag op verschillende plekken in hun directe omgeving stellen. Deze vindplaatsen zijn afhankelijk van de natuurlijke plekken waar iemand komt en zijn ondersteuningsvraag stelt. Hierbij kan gedacht worden aan scholen, verenigingen, buurthuizen, de huisarts, maar ook andere professionals. In het eerste contact maken organisaties een snelle "foto" van hoe de situatie van de burger eruit ziet. Wanneer mogelijk zoeken organisaties met de burger naar een oplossing vanuit de mogelijkheden van de burger. Er wordt zo veel mogelijk uitgegaan van de mogelijkheden van het sociale netwerk.

Wanneer het een complexere vraag betreft of wanneer er mogelijk meer aan de hand lijkt te zijn, dan wordt een burger in contact gebracht met een professional die de vraag verder verhelderd. In de ideale situatie zijn alle organisaties dus in staat om een eerste gevoel te krijgen of er bij een burger meer aan de hand is.

Daarnaast hebben alle (lokale)organisaties (bijv. sportverenigingen, zonnebloem) ook een signaalfunctie. Wanneer zij zich zorgen maken om een burger, zonder dat deze persoon zelf een ondersteuningsvraag stelt, dan brengen zij diegene in contact met een consulent die de situatie van de burger verder in kaart brengt.

vergroot tekst