Spring naar inhoud

Ideale situatie na transitie

De ideale situatie.

Voor het vormgeven van de ideale situatie hebben we gebruik gemaakt van het denkmodel van de nulde, de eerste en de tweede lijn. Dit model maakt duidelijk op welke verschillende plekken binnen de samenleving ondersteuning kan worden geboden. We willen ondersteuning zo dichtbij mogelijk bieden, en dat is bij voorkeur in en door de eigen omgeving, de nulde lijn. De eerste en tweede lijn hebben als eerste taak om die omgeving te ondersteunen.

De nulde lijn.

Het dagelijkse leven, de natuurlijke omgeving van mensen in al zijn facetten. Dat betekent dat gezin, familie, vrienden maar ook school, vereniging en buurt daarbij horen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen / organisaties (zoals verenigingen, school, peuterspeelzaal) horen tot de nulde lijn.

De eerste lijn.

De algemene voorzieningen die zich richten op ondersteuning en die direct voor iedere inwoner toegankelijk zijn. Bijvoorbeeld de huisarts of de maatschappelijk werker.

De tweede lijn.

De collectieve of individuele voorzieningen die niet vrij toegankelijk zijn, maar slechts op basis van een (door de gemeente of AWBZ) afgegeven beschikking. In de huidige Wmo is dat bijvoorbeeld hulp bij het huishouden of een rolstoel. Buiten te Wmo is een tweede lijns voorziening bijvoorbeeld specialistische hulp in het ziekenhuis na een doorverwijzing van de huisarts.

Bij de gedachte van de ideale situatie moeten we in ieder geval uitgaan van de volgende principes:

  • We richten de directe leefomgeving zodanig in dat deze bijdraagt aan de zelfredzaamheid van bewoners en uitnodigt tot participatie.

  • We combineren welzijn, zorg en wonen in de leefomgeving van mensen met een ondersteuningsbehoefte optimaal en organiseren het daarmee op een betaalbare manier.

  • We richten de professionele ondersteuning zo in dat deze aanvullend is op en ondersteunend aan de ondersteuningsmogelijkheden uit de directe omgeving. Door ook ondersteuning te bieden aan mantelzorgers, vrijwillige hulp- en dienstverlening en algemene voorzieningen, houdt de nulde lijn het bieden van ondersteuning beter en langer vol. Hierdoor is het voor mensen beter mogelijk om langer thuis of in de eigen vertrouwde omgeving te blijven wonen en er een dag invulling te vinden, ook met een ondersteuningsbehoefte. Dit heeft als positief bijeffect dat zij langer uit de (dure en schaarse) professionele ondersteuning worden gehouden.

  • Preventie aan de voorkant, dus tijdige signalering en zo mogelijk directe interventie zodat escalatie wordt voorkomen.

Het is wel noodzakelijk om binnen de gedachte van de ideale situatie ook realistisch te zijn:

  • Ongeveer 80 – 85% van de bevolking heeft geen (structurele) hulp en ondersteuning nodig.

  • Op basis van landelijk onderzoek gaan we er vanuit dat voor naar schatting driekwart van de inwoners die wel hulp nodig hebben, individuele (maatwerk) oplossingen noodzakelijk blijven.

  • Voor naar schatting een kwart van de inwoners die hulp nodig hebben zijn er ook mogelijkheden om (een deel van de) begeleiding te bieden in het gewone leven vanuit de directe omgeving, nulde of de eerste lijn.

 

De kaders.

Binnen de Wmo gaan we uit van de volgende visie: door KANTELING in Balans. De kanteling biedt (naast kostenbeheersing) ook de kans om ondersteuning zo te organiseren dat mensen er sterker van worden en minder zorgafhankelijk. De kern van de Kanteling is: eigen kracht eerst en de inzet en/of versterking van de nabije omgeving (sociale netwerk). Dit geldt voor zowel inwoners als organisaties en verenigingen.

  1. De kern: een KANTELING van afhankelijk opstellen naar eigen verantwoordelijkheid nemen.

  2. Het maatwerk: een KANTELING van verzekerde rechten naar oplossingsgericht handelen.

  3. De ondersteuning: een KANTELING van individuele voorziening naar collectief aanbod en versterking sociale context.

  4. De rolverdeling: een KANTELING van overheid/instanties naar inwoners; van aanbod naar vraaggericht.

  5. Het beleid: een KANTELING naar inclusief beleid. Waarbij we zowel bij het ontwikkelen als uitvoeren van beleid rekening houden met de verschillen tussen mensen (en dan vooral tussen mensen met en zonder een beperking). Beleid en uitvoering richt zich zo veel mogelijk op alle burgers.

 

Deze visie van de Wmo is in samenhang met de transitie Jeugdzorg en de transitie Wet Werken naar Vermogen regionaal vertaald naar acht uitgangspunten voor beleid:

  1. Mogelijkheden staan centraal, niet beperkingen.

  2. Eigen verantwoordelijkheid – sociale verantwoordelijkheid – professionele verantwoordelijkheid worden in deze volgorde aangesproken

    1. individueel (eigen kracht, mantelzorgers)

    2. sociaal (maatschappelijke kracht, vrijwilligers, buren

    3. professioneel (ondersteuning vanuit gemeente, instellingen, bijv. thuiszorg)

  3. Geen categoraal (maar wel integraal) beleid.

  4. Investeren in het zelfoplossend vermogen van mensen.

  5. Ondersteuning is in principe tijdelijk en zo dichtbij en eenvoudig mogelijk.

  6. Ruimte voor professionals om in samenwerking op uitvoeringsniveau de ondersteuning te regelen.

  7. Oplossingen zoeken in algemene, collectieve en individuele voorzieningen.

 

 

vergroot tekst