Spring naar inhoud

Compensatieplicht

De compensatieplicht houdt in dat in elke individuele situatie de meest adequate oplossing wordt getroffen. Zo wordt bereikt dat de gewenste zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie mogelijk zijn.                            

De compensatieplicht is de kern van het project de Kanteling. De compensatieplicht van de Wmo is de wettelijke regeling waarmee iemand met een beperking een waarborg heeft op zelfredzaamheid en participatie. Het biedt een nieuw perspectief voor mensen met beperkingen en voor gemeenten.

Het is ons belang om burgers goed voor te bereiden op wat de kanteling voor hen betekent. Het vertrekpunt voor de Participatieraad Wmo Hilvarenbeek is het gelijkheidsbeginsel en een actieve invulling van deze norm op alle levensterreinen in de samenleving. Het doel is dat het niet uit mag maken of iemand wel of geen beperking heeft. De samenleving is er voor iedereen. Wanneer iemand een ongelijke startpositie heeft is er reden om dit te compenseren. Dit principe is in het Parlement met algemene stemmen aanvaard en is in een wettelijke verplichting aan gemeenten vastgelegd.

Daarnaast zijn keuzevrijheid en zelfbeschikkingsrecht voor ons van wezenlijk belang. Zij geven mensen een menswaardiger bestaan. Keuzevrijheid en zelfbeschikkingsrecht liggen ook in de lijn van inclusief beleid; beleid dat rekening houdt met de verschillende mogelijkheden en beperkingen van mensen. Chronisch zieken, ouderen met een functiebeperking, mensen met een psychiatrische aandoening, een verstandelijke, motorische of zintuiglijke handicap: inclusief beleid maakt meedoen mogelijk. Het zorgt ervoor dat mensen met beperkingen vanzelfsprekend op een gelijkwaardige manier deelnemen aan alle aspecten van het maatschappelijke leven. Het gaat hierbij niet alleen om Wmo-beleid, maar raakt álle beleidsterreinen. Denk bijvoorbeeld aan levensloopbestendige woningen, de toegankelijkheid van gebouwen, het type OV-bussen, de inrichting van woonwijken, regels voor bijzondere bijstand of de geschiktheid van het volwassenenonderwijs voor mensen met beperkingen.

Daarbij moet het normaal worden, dat woningen, de openbare ruimte, het vervoer door iedereen gebruikt kunnen worden. Ook arbeid, onderwijs en het economische verkeer moeten voor iedereen  toegankelijk zijn. Dit beleid betekent ook dat burgers niet langer afhankelijk zijn van individuele voorzieningen.

 

Vanuit juridisch perspectief.

In artikel 4. lid 1 van de Wmo staat de compensatieplicht beschreven. Dit artikel verplicht het College van Burgermeester en Wethouders om burgers voorzieningen te bieden ter compensatie van de belemmeringen die zij ondervinden op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

In de volgende paragraven beschrijven we de definities, de verantwoordelijkheden van de gemeenten en burgers, maatwerk en de meeste adequate oplossing.

 

Definities.

 

De Wmo-doelgroep.

De Centrale Raad van Beroep omschrijft de doelgroep van de Wmo als mensen die beperkingen hebben en daardoor belemmerd worden op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De beperkingen hoeven niet per se van medische aard te zijn. De Wmo doelgroep bestaat uit alle burgers die door persoonlijke omstandigheden worden belemmerd op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Op voorhand kunnen bepaalde groepen burgers niet worden uitgesloten.

 

Zelfredzaamheid.

In een toelichting op het amendement dat heeft geleid tot invoering van de compensatieplicht wordt zelfredzaamheid beschreven als: "het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken."

 

Maatschappelijke participatie.

In hetzelfde amendement wordt onder maatschappelijke participatie verstaan:

  • Het kunnen voeren van een huishouden;

  • Het normale gebruik van een woning;

  • Het verzorgen van kinderen en gezinsleden;

  • Het zich in en om de woning kunnen verplaatsen;

  • Het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen;

  • Het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijke leven.

 

Verantwoordelijkheden.

De gemeente zal voorzieningen moeten treffen waarmee de beperkingen van de burger zodanig worden gecompenseerd dat hij/zij in de maatschappij kan participeren. De gemeente heeft hierin een resultaatsverplichting. Dit laatste wordt door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Een andere verantwoordelijkheid van de gemeente is om elke hulpvraag van de burger in behandeling te nemen. Als een burger belemmeringen in het participeren binnen de samenleving ervaart en hiermee naar de gemeente gaat, zal de gemeente dit als een aanvraag volgens de Algemene wet bestuursrecht moeten afhandelen.

Dit is belangrijk, omdat er binnen de Wmo een verzwaarde motivatieplicht is (artikel 26 Wmo). De gemeente is verplicht om – samen met de burger – goed onderzoek te doen naar de belemmeringen van de burger. De gemeente zal alle overwegingen en afwegingen in het uiteindelijke besluit moeten vastleggen. Dit biedt duidelijkheid aan de burger. En de burger behoudt daarmee zijn recht om bezwaar en beroep aan te tekenen.

Tot slot zal ook de burger moeten kijken welke inspanning hij kan leveren om mee te kunnen blijven doen in de maatschappij.

 

Maatwerk en de meest adequate oplossing.

Volgens artikel 4, lid 2 van de Wmo houdt het College van Burgemeester en Wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. De gemeente zal maatwerk moeten leveren. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt dit bevestigd.

Op dit moment zien wij nog te vaak dat gemeenten kiezen voor een benadering, waarbij de oplossing eerst gezocht wordt in algemene en voorliggende voorzieningen. Als die geen oplossing bieden wordt er gekeken naar het eigen netwerk, vervolgens naar de collectieve voorzieningen en pas op het laatste moment naar de individuele voorzieningen. Dit komt niet overeen met de bedoeling van de wet en met recente jurisprudentie.

De gemeente zal – samen met de burger – als het ware een foto moeten maken van de situatie. Op basis van de foto wordt gekeken waar beperkingen leiden tot belemmeringen in de participatie. Burger, netwerk (mits voorhanden) en gemeente maken een Plan van Aanpak om de belemmeringen op te heffen. Samen zoeken ze de beste oplossingen om mee te kunnen doen. Dit vraagt om denken vanuit de persoon en niet vanuit voorzieningen. Het betekent individuele beoordelingen en maatwerk.

Alle mogelijkheden (eigen netwerk, collectieve voorzieningen, individuele voorzieningen, creatieve oplossingen in bijvoorbeeld andere domeinen et cetera) worden in zijn geheel bekeken en daaruit wordt vervolgens de meest adequate oplossing gekozen. Dit vergt van alle partijen een creatieve geest: om het einddoel te bereiken is het nodig om over de horizon van de resultaatsgebieden heen te kijken.

vergroot tekst